Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR5784

Datum uitspraak2004-11-12
Datum gepubliceerd2004-11-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09.073.966/04
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...] De verdachte reed bij het naderen van de kruising met een snelheid van 87 kilometer per uur. Door middel van een verkeersongevalsanalyse is vastgesteld dat ook indien verdachte had gereden met de maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, verdachte niet voor de plaats van de botsing tot stilstand had kunnen komen. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het overschrijden van de toegestane snelheid met 7 kilometer op een Provinciale weg, niet van zodanige aard is dat reeds op grond hiervan sprake zou zijn van roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag. Bij het naderen van de kruising reden geen auto's voor de vrachtwagen van verdachte en had hij vrij zicht. Uit de foto's in het dossier kan het tegendeel althans niet blijken. [...]


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer : 09.073.966/04 's-Gravenhage, 12 november 2004. De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres]. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 oktober 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.W. Lagraauw, advocaat te Leiden, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1.primair telastgelegde feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1000,- subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. De officier van justitie deelt mede dat zij zich niet verzet tegen betaling van een geldboete in termijnen. De telastlegging. Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding primair, subsidiair en meer subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De verdachte reed bij het naderen van de kruising met een snelheid van 87 kilometer per uur. Door middel van een verkeersongevalsanalyse is vastgesteld dat ook indien verdachte had gereden met de maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, verdachte niet voor de plaats van de botsing tot stilstand had kunnen komen. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het overschrijden van de toegestane snelheid met 7 kilometer op een Provinciale weg, niet van zodanige aard is dat reeds op grond hiervan sprake zou zijn van roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag. Bij het naderen van de kruising reden geen auto's voor de vrachtwagen van verdachte en had hij vrij zicht. Uit de foto's in het dossier kan het tegendeel althans niet blijken. Van verdachte kan niet worden verwacht dat hij, rijdende over een Provinciale weg waarbij voorrang aan hem verleend diende te worden, en waarbij sprake was van achterop komend verkeer een zodanige snelheid aanhield dat hij in staat was de auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, nadat het slachtoffer de weg was opgereden. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verdachte redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het slachtoffer hem geen voorrang zou verlenen. Ook indien hij daarmee wel in enige mate -meer dan hij heeft gedaan- rekening zou hebben gehouden, door bijvoorbeeld gas los te laten en/of zijn snelheid anderszins te verminderen, zou hij daarmee het onderhavige ongeval niet hebben kunnen voorkomen. De vergelijking met het geval van HR.25 mei 2004, NJ 2004, 237, waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, gaat reeds mank, omdat de verdachte in dat geval met een snelheid van omstreeks 84 tot 89 kilometer per uur reed, waar slechts 50 kilometer per uur was toegestaan. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding primair, subsidiair en meer subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mrs N.B. Verkleij, voorzitter, M.Th. Boerlage en A.C. Zuidema, rechters, in tegenwoordigheid van E. Wagter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2004.